Inloggen
home > boekbesprekingen > trainen met meer impact

Trainen met meer impact                                     

Door de transformatie van het sociaal domein bieden welzijnsorganisaties steeds meer groepsarrangementen aan om gedragsveranderingen van deelnemers te bewerkstellingen. Waaronder trainingen in sociale vaardigheden, werk vinden en behouden, zelfsturing en zelfvertrouwen, Nederlandse taal, omgaan met geld en dergelijke. De ene training pakt goed uit en resulteert in gedragsveranderingen van deelnemers. De andere training slaagt daar niet in slechts tijdelijk als deelnemers terugvallen in hun oude gedrag. In “Trainen met meer impact” legt Femke Bennenbroek systematisch uit hoe je met trainingen duurzame gedragsveranderingen kunt bewerkstelligen door vijf mechanismen gecombineerd, structureel en doelgericht toe te passen. Die mechanismes zijn referent power, sociale steun, gedrag sturen, actief leren en inoculatie. Een concreet en compleet handboek en een must voor iedereen die trainingen in het sociale domein tegen het licht wil houden om ze effectiever te maken!

 

Deel 1 van het boek gaat over gedragsverandering. In het eerste hoofdstuk belicht Femke Bennenbroek beknopt de vijf mechanismes die duurzame gedragsverandering bevorderen, waarna ze aan elk van die mechanismes een compleet hoofdstuk wijdt.

Referent power definieert Bennenbroek als ‘de mate waarin deelnemers het gevoel hebben dat ze bij jou in goede handen zijn’. Ze moeten niet alleen ervaren dat jij als trainer een ervaren professional is, maar ook in jou als mens geloven en het gevoel hebben dat jij hen echt verder wilt helpen en oprecht in hen geïnteresseerd bent. Je kunt je referent power versterken door een veilige en effectieve leeromgeving te creëren, dicht bij jezelf te blijven, relevante expertise te laten zien, zelfvertrouwen en vertrouwen in de deelnemers uit te stralen, oprechte nieuwsgierigheid naar deelnemers te tonen, sociale afstand en hiërarchie te verkleinen en eerlijk te zijn, ook over de harde realiteit. Al deze elementen licht Bennenbroek met concrete handreikingen toe. Bijvoorbeeld met voorbeelden van ‘bewoordingen die minder goed passen’, waar zij alternatieven tegenover zet. In plaats van ‘je moet’ kun je beter zeggen: ‘Laten we afspreken dat..’ of ‘Zullen we nu verder gaan?’. En in plaats van ‘Dat is niet waar’ kun je ook zeggen: Die manier werkt dus  voor jou. Welke nadelen zitten er aan die manier? Welke andere manieren zijn er? Bewoordingen als iedereen, niemand, altijd en nooit kun je het best vermijden.

 

Goudklompjes

Het belangrijkste element van referent power is volgens haar het creëren van een veilige en effectieve leeromgeving. Juist in het sociaal domein kun je het best samen met de deelnemers ‘een helder beeld neer te zetten van de training en wederzijdse impliciete verwachtingen expliciet te maken’. Wat ook goed werkt is dat de trainer vertelt wat de impact van de training op eerdere deelnemers was.

Bij ‘dicht bij jezelf blijven’ presenteert de auteur een prachtige, beknopte verhandeling over de kracht van ‘goudklompjes’. Dat zijn ‘mooie, effectieve positieve elementen in het gedag van deelnemers’. Dat kunnen ook vormen van gedrag zijn die in eerste instantie negatief zijn of lijken, maar waaraan de trainer een positieve draai geeft. Als een deelnemer boos op de trainer wordt omdat hij de trainer niet uitdagend genoeg vindt, is het goudklompje: de deelnemer is eerlijk. Of: de deelnemer zoekt uitdaging, wil graag nieuwe dingen leren. Of: de deelnemer geeft jou de kans om iets te leren. Goudklompjes kun je gebruiken om effectief gedrag te bekrachtigen, zelfvertrouwen te vergroten, een onprettige dynamiek te doorbreken en positieve energie te vergroten. En je referent power te bevorderen. ‘Op het moment dat je referent power hoog is, ben je beter in staat om het gedrag van anderen te beïnvloeden, omdat deelnemers eerder bereid zijn om een actieve rol te pakken in het veranderproces en nieuwe dingen uit te proberen.’

 

Praktische, emotionele en informatieve steun

Tweede element is sociale steun aan deelnemers in hun leer- en veranderingsproces. Daarbij gaat het niet alleen om praktische, maar ook om emotionele en informatieve steun. De trainer biedt  sociale steun, maar kan er ook voor zorgen dat deelnemers elkaar steunen.

Gedrag sturen is het derde element en dat omvat een aantal technieken om effectief gedrag te versterken en vaker te laten voorkomen en ineffectief gedrag ‘te helpen uitdoven en om te buien naar effectief gedrag’. Voorbeeldgedrag van de training is daarbij heel belangrijk, evenals deelnemers helpen om doelgericht met hun gedragsverandering bezig te zijn.

Actief leren is het vierde element. De trainer helpt deelnemers om hun ontwikkelproces ‘op hun eigen manier en tempo te doorlopen en hun reeds aanwezige expertise te triggeren en te versterken’. Daarbij gaat het niet alleen om actieve werkvormen en ervarend leren, maar ook om de toepassing van perspectiefwisseling om zelfinzicht te vergroten en ‘zelf zo min mogelijk voor de deelnemers te denken en te doen, maar de deelnemers zelf oplossingen en strategieën te helpen ontdekken’.

Inoculatie tenslotte is een mechanisme waarbij de trainer samen met de deelnemers een aantal stappen doorloopt opdat deelnemers zelf een oplossing voor een obstakel te ontdekken en tegelijk hun probleemoplossend vermogen te versterken. Dit helpt hen om ook na de training anders met obstakels om te gaan.

 

Omgaan met weerstand

Deel 2 gaat over het verzorgen van trainingen en daar behandelt ze thema’s als optimale voorbereiding, een krachtige start, spelen met werkvormen, effectief gebruik maken van middelen en materialen, omgaan met weerstand, omgaan met lastige situaties en tenslotte zorgvuldig afsluiten. Interessant is het thema omgaan met actieve en passieve weerstand. Vormen van actieve weerstand zijn steeds dezelfde vraag stellen, de discussie naar je toe trekken, door anderen heen praten en regelmatig zeggen dat ‘het toch geen zin heeft’. Voorbeelden van passieve weerstand zijn te laat komen, veel met de telefoon spelen, de jas aanhouden, zelf geen vragen stellen en oogcontact vermijden.  Aan die weerstand kunnen allerlei oorzaken ten grondslag liggen, zoals onzekerheid, angst om niet aan de eisen van de trainer te kunnen voldoen, het gevoel niet serieus genomen te worden door de trainer of een betrokken organisatie en onzekerheid over de gevolgen van de training of allerlei mogelijke misverstanden. Ook hier presenteert Bennenbroek een aantal  concrete tips om weerstand te voorkomen, te negeren of af te leiden. Belangrijk is dat de trainer weerstand niet persoonlijk opvat, maar de onderliggende emotie erkent en met samen met de deelnemer(s) naar oplossingen zoekt.

 

“Trainen met meer impact; praktijkboek duurzame gedragsverandering bij cliënten binnen het sociaal domein” van Femke Bennebroek is een uitgave van eDoceo. Prijs: € 24,95.