Inloggen
home > boekbesprekingen > “met mij gaat het goed, met ons gaat het slecht.”

 

Een sprekende titel. En herkenbaar omdat zij de conclusie vertolkt die het Sociaal en Cultureel Planbureau al jaren uit onderzoek trekt: veel Nederlanders geven hoge cijfers voor hun eigen geluk maar zijn kritisch op de samenleving. Velen vinden da“Met mij gaat het goed, met ons gaat het slecht.” het ‘met Nederland’ de verkeerde kant uit gaat. Paul Schnabels – van 1998 tot 2013 

directeur van het Sociaal en Cultureel Planbureau – toont met zijn analyse van de cijfers aan dat Nederlanders het alleen maar steeds beter hebben gekregen. Maar vooral door de flexibilisering van de arbeidsmarkt is onzekerheid over hun maatschappelijke positie onder veel Nederlanders gegroeid en zijn velen bang te verliezen wat ze nu hebben.

 

Rond 2000 ging het goed met Nederland. Het laatste kabinet Lubbers en twee paarse kabinetten hadden Nederland uit de economische crisis geholpen. Zij hadden aangetoond ‘dat verzorgingsstaat en neoliberale markteconomie succesvol met elkaar verenigd konden worden’. Het Nederlands poldermodel oogstte lof en belangstelling vanuit de hele wereld. Maar toen Pim Fortuyn op het politieke toneel verscheen, slaagde deze populistische politicus erin bij velen het beeld van ‘de puinhopen van paars’ op te roepen. ‘Wachtlijsten in de zorg, minder sociale zekerheid, grotere onveiligheid, verwaarlozing van de oude wijken en vooral de ongebreidelde toestroom van steeds meer als moslims aangeduide migranten.’ Regering en parlement leken weinig oog en oor te hebben voor de problemen van de ‘gewone, hard werkende Nederlander’. De aanslag op de Twin Towers in 2001 en moorden op Pim Fortuyn en Theo van Gogh verscherpten de tegenstellingen. In 1998 was 80% van de bevolking tevreden over de regering en vond 65% dat de overheid goed functioneerde. In 2004 waren deze percentages gedaald naar respectievelijk 50% en 40%.

Sinds 2008 meet het SCP ieder kwartaal hoe de Nederlandse bevolking haar eigen situatie, de politiek en de samenleving beoordeelt. Jaren lang vonden tussen de 65 en 70% dat het met Nederland de verkeerde kant op ging. In 2018 was voor het eerst een meerderheid positief. 85% van de bevolking beschouwt zichzelf als gelukkig tot heel gelukkig. Nederlanders die de ontwikkelingen positief beoordelen zijn hoog opgeleid, hebben een goedbetaalde baan en hebben een politieke voorkeur voor de VVD en D66. Degenen die de ontwikkelingen als negatief bestempelen zijn laagopgeleid, werkloos, niet-stemmers en stemmers op PVV en Forum voor Democratie. Toch zegt slechts 1 tot 3% van de Nederlandse bevolking echt ongelukkig te zijn.

 

Steeds beter voor bijna iedereen

Na de crisis van de jaren 30 en de Tweede Wereldoorlog wist Nederland zich ‘in minder dan een halve eeuw tot een van de welvarendste, rechtvaardigste en gelukkigste samenlevingen van de wereld’ te ontwikkelen. ‘Meer mensen beschikken nu dankzij de perfecte combinatie van hoge productiviteit en grote verdelende rechtvaardigheid over meer geld, meer mogelijkheden en meer kansen dan ooit eerder in onze geschiedenis,’ schrijft Schnabel.

In het politieke debat wordt regelmatig naar voren gebracht dat het in de tijd van het Romeinse rijk, de Gouden Eeuw, de negentiende eeuw of in de jaren vijftig of zestig van de vorige eeuw beter dan nu zou zijn. ‘Wie terugverlangt naar andere tijden, toen alles zoveel beter leek te zijn, moet zich steeds afvragen voor wie en in welk opzicht het toen zoveel beter was.’ Meestal betrof dit een elite van mannen.

In zijn boek rekent Schnabel af met allerlei misverstanden door harde cijfers te presenteren. Zo heerst het beeld dat de babyboomers altijd ‘goed voor zichzelf gezorgd’ hebben en de kansen van jongere generaties belemmeren door lang op de beste posities te blijven zitten. Volgens Schnabel is het omgekeerde waar: in Nederland trekken ouderen zich relatief jong terug uit hun werk en uit publieke functies.

In een aantal hoofdstukken, die zich laten lezen als een gedetailleerde geschiedenis van ons dagelijks leven, zien we hoeveel er in enkele decennia veranderd is. In de jaren vijftig hadden de meeste Nederlanders geen auto, telefoon of centrale verwarming. Wie ziek of oud was, werd afhankelijk van de hulp van familie. Er was een zesdaagse werkweek en veel werk was zwaar, eentonig en ongezond. Voor getrouwde vrouwen was de arbeidsmarkt gesloten: zij waren maatschappelijk en financieel afhankelijk van hun man. Echtscheiding was bijna onmogelijk. Homoseksualiteit was taboe. De kerk en de verzuiling drukten hun stempels op het dagelijks leven. En er was veel nette armoede. ‘Wie er even over nadenkt, zal het heden niet gauw meer willen inruilen voor het verleden,’ rekent Schnabel af met de menselijke neiging om het verleden te romantiseren.

Uitgebreid beschrijft hij ook hoe er een eind kwam aan de verzuiling, hoe een steeds egalitairdere samenleving ontstond en hoe Nederlanders het in allerlei opzichten steeds beter kregen. Er is weliswaar sprake van een transitie van de klassieke verzorgingsstaat naar een participatiesamenleving, maar in 2018 gaf de overheid 200 miljard euro – 75% van de totale uitgaven – uit aan de verzorgingsstaat.

 

Dankbaar of bang voor de toekomst?

In het hoofdstuk “Tussen Luilekkerland en Utopia” lezen we dat Nederland op allerlei internationale lijstjes hoog scoort. Zo staat Nederland op de vierde plaats van ’s werelds meest innovatieve economieën. De Human Development Index  heeft betrekking op de levensverwachting, opleidingsduur en het nationaal inkomen per hoofd van de bevolking en daar staat Nederland op de zevende plaats. In het “World Happiness Report” en in de “Better Life Index” staat Nederland op de zesde plaats. Van alle bevolkingsgroepen zijn migranten overal het slechtst af, maar ze zijn ondanks aantoonbare discriminatie in Nederland ‘toch altijd beter uit dan in het land van herkomst’. Overigens presteren de tweede en derde generaties aanzienlijk beter dan de eerste en worden achterstanden in onderwijs en op de arbeidsmarkt steeds kleiner.

Economisch scoort Nederland goed. Na Duitsland heeft Nederland binnen de EU de grootste export. Op de wereldranglijst staat Nederland op de vijfde plaats. 85 procent van de Nederlanders vindt dat hun gezin in grote welvaart leeft.

De Nederlandse arbeidsmarkt is de afgelopen jaren geflexibiliseerd. Voor maar liefst één derde van de Nederlandse beroepsbevolking betekent dit ‘vooral weinig zekerheid, een laag loon per uur of per prestatie, geen carrièreperspectief en weinig tot geen mogelijkheden voor scholing en ontwikkeling’. Wellicht verklaart dit het grote verschil in de beoordeling van het eigen geluk en die over hoe het met Nederland gaat. Nederlanders die het nu nog goed of redelijk goed hebben, zijn bang dat ze hun werk verliezen of als ZZP’er steeds minder gaan verdienen. Schnabel verklaarde in een interview te hopen ‘dat mijn boek mensen helpt een beetje dankbaar te zijn voor het geluk dat ons allemaal heeft getroffen.’ Maar niets menselijks is de Nederlanders vreemd. Als hun bestaan onzeker is, zullen ze hun lot eerder vergelijken met anderen om hen heen die het beter gaat, dan met Duitsers, Italianen of Chinezen van nu of Nederlanders in de jaren vijftig of zestig. De mimetische begeerte van Nederlanders lijkt sterker dan hun historisch besef of relativeringsvermogen.

 

“Met mij gaat het goed, met ons gaat het slecht; het gevoel van Nederland” van Paul Schnabel is een uitgave van Prometheus. Prijs: € 20,99 (paperback en € 11,99 (e-boek).