Inloggen
home > in de schijnwerpers > in de schijnwerpers: johan bosman

In de schijnwerpers: Johan Bosman

Juni 2017

 

‘We moeten geen brandjes blussen, maar lucifers afpakken,’ zegt Johan Bosman, directeur-bestuurder van Stichting Welzijnswerk in Hoogeveen. ‘We moeten veel meer inzetten op collectieve oplossingen en andere vormen van preventie. En veel meer normaliseren: accepteren dat butsen en builen bij het leven horen.’ SWW nam deel aan de Thematranche Welzijn. Het belangrijkste resultaat zijn de zelforganiserende teams. En een nog betere relatie met de gemeente.

 

Wanneer begon je bij SWW en wat deed je voor die tijd?

‘Ik werk inmiddels tien jaar bij SWW. Ik heb een opleiding voor sociaal-cultureel werk gedaan bij de Jelburg in Baarn, onderdeel van Mikojel. Daarna begon ik als vormingswerker voor werkende jongeren. Ik was een tijd consulent vrije tijd voor mensen met een verstandelijke beperking. Daarna was ik directeur bij verschillende MEE-organisaties.’

 

Hoe typeer je  het werkgebied van SWW?

‘Wij werken alleen in de Drentse gemeente Hoogeveen, die bestaat uit de stad Hoogeveen plus de dorpen Hollandscheveld, Elim, Noordscheschut, Pesse, Nieuwlande, Nieuweroord, Tiendeveen, Stuifzand, Nieuw Moscou en Fluitenberg. De gemeente heeft 54.000 inwoners. Het is echt een gebied met een veenkoloniale geschiedenis. Daarom zijn er veel mensen laag opgeleid, is er veel armoede en zijn er weinig ontwikkelkansen. Een bijdrage leveren aan de kwaliteit van het leven van juist de mensen aan de onderkant van de samenleving, daar ligt mijn hart. Het is een dynamisch werkveld en er gebeuren veel goede dingen. Werkloosheid, armoede, alcoholproblematiek en huiselijk geweld zijn problemen die van generatie op generatie worden doorgegeven. De grote opgave is dit te doorbreken. In een aantal gevallen lukt dat, in andere verloopt dat moeizaam. Deze problematiek is weerbarstig. In onze gemeente hebben we te maken met krimp. Als kinderen gaan studeren, blijven ze vaak in Groningen, Tilburg of Amsterdam wonen en komen ze niet terug. Dan kan het gebeuren dat kinderen een advies voor vwo of havo krijgen, maar de vader zegt: wordt stratenmaker, daar heb ik mijn hele leven een goede boterham mee verdiend. Zo houden sommige ouders – vaak onbewust – de ontwikkeling van hun kinderen tegen.’

 

Hoe pak je die weerbarstige problematiek aan met sociaal werk?

Twee jaar geleden zijn we met een aantal ambtenaren en twee wethouders op werkbezoek geweest naar Childfriendly City Leeds, die het motto “Not for them, not to them, but with them”. Aan 2.000 kinderen is gevraagd wat zij belangrijk vonden. Op de eerste plaats stond beter en veiliger openbaar vervoer. Dat had niemand in Leeds verwacht.  Ze hebben een aantal maatregelen genomen, waaronder trainingen voor buschauffeurs om goed met kinderen te kunnen communiceren. Die les hebben we meegenomen naar Hoogeveen. We moeten goed naar kinderen luisteren om te weten wat ze willen en hun talenten te ontwikkelen. We betrekken kinderen bij ontwikkelingen in de wijken en de dorpen. Voor kinderen kun je drie milieus onderscheiden: gezin, school en vrije tijd. In Hoogeveen investeren we veel  in dat derde milieu. Kinderen die niet goed zijn in rekenen en taal op school, kunnen met andere talenten excelleren in hun vrije tijd. In het project  “de pedagogische buur” verbinden we die drie milieus. We investeren veel in kinderwerk. We zijn bezig een Weekendschool in Hoogeveen op te zetten. Dit in nauwe samenwerking met het bedrijfsleven en mensen uit de bedrijven geven dan gastlessen op zaterdag. Zo verbreden we de  horizon van de kinderen, zodat ze meer zelfvertrouwen krijgen en hun maatschappelijke positie verbeteren.’

 

Hoe past jullie schoolmaatschappelijk werk hierin?

‘Wij hebben denk ik de grootste formatie schoolmaatschappelijk werk  per duizend inwoners van het land. Net als in de tweedelijns jeugdzorg zie je dat schoolmaatschappelijk werkers de neiging hebben om te individualiseren en te problematiseren. Ondanks de ruime formatie zitten we toch met wachtlijsten. We moeten nog meer naar voren, naar preventie. En veel meer collectief oppakken. Niet alleen in Hoogeveen, maar in het hele land moeten in plaats van brandjes blussen de lucifers afpakken.’

 

Waarom is die omslag zo lastig als je schoolmaatschappelijk werk in je eigen organisatie hebt?

‘Het is makkelijker om in individuele casuïstiek te investeren, om concrete oplossingen te zoeken voor problemen van kinderen. Toch proberen we het collectieve aanbod steeds meer uit te breiden. Met weerbaarheidstrainingen op scholen bijvoorbeeld. Veel meer normaliseren in plaats van problematiseren. Er zit ook een weeffout in het systeem: huisartsen mogen jongeren rechtstreeks naar de jeugdzorg doorverwijzen. Dan gebeurt het dat jongeren die flink aan het puberen zijn via de huisarts een verwijzing krijgen voor de GGZ. Vaak gaat het op problemen die onze schoolmaatschappelijk werkers beter kunnen oplossen, omdat zij naar het hele gezin kijken. We moeten veel meer normaliseren: accepteren dat butsen en builen bij het leven horen.’

 

SWW nam deel aan de Thematranche Welzijn. Wat heeft dat jullie opgeleverd?

‘Heel veel. Sinds oktober vorig jaar werken we met zelforganiserende teams, gestuurd door opdrachten van de gemeente en beleid van SWW. Dat is een enorme omslag. De teams hebben geen leidinggevende meer en krijgen een opdracht en rapporteren twee keer per jaar over de resultaten die zij bereiken. Dat is wennen voor de professionals. Ze moeten elkaar aanspreken. Effecten van sociaal werk meten was een belangrijk onderwerp in de Thematranche. Dat doen wij nu systematisch en maken daarbij gebruik van de zelfredzaamheidsmatrix en klanttevredenheidsonderzoek. We hadden al een goede relatie met de gemeente, maar door de resultaten van de Thematranche is die nog beter geworden.’

 

Zijn die zelforganiserende teams sociaal wijkteams of gebiedsteams van SWW?

‘Hoogeveen heeft geen sociale wijkteams. De gemeente heeft Wmo-consulenten, SWW zit in het voorveld. Wij hebben dus vijf eigen gebiedsteams met alle basisfuncties: jongerenwerkers, algemeen maatschappelijk werkers, schoolmaatschappelijk werkers, opbouwwerkers, thuiscoaches, medewerkers van VVE&O en mantelzorgconsulenten. Vier voor wijken in de stad, één voor de dorpen. Daarnaast hebben we eens stedelijk team voor stedelijke functies, zoals de klussendienst, de Weekendschool, de maatjesprojecten, Homestart en het ouderenopbouwwerk.’

 

Waar ben je trots op?

‘We zijn druk bezig met het versterken van de ouderenketen met een soort welzijn op recept. We zien dat dit werkt. Maar ook op Vitamine Groen. Een soort mindfulnestraining in de natuur is dat. Een van onze medewerkers gaat met mensen die niet stevig in het leven staan of depressieve klachten hebben de natuur in. Daar doen zij allerlei oefeningen, vooral leren genieten van het moment.  Deelnemers zijn razend enthousiast. Trots ben ik ook op de microkredieten voor mensen met acute financiële problemen. Dat doen we met geld van de Diaconie. Mensen mogen dan geen andere schulden hebben, krijgen een krediet van maximaal 750 euro en onze ervaring is dat het microkrediet keurig wordt terugbetaald. Op die manier kun je ook voorkomen dat deze mensen in andere problemen terecht komen.’

 

Waar staat SWW over twee jaar?

‘Ik voorzie een geweldige toekomst voor het sociaal werk als we erin slagen preventief te werken met veel collectief aanbod. Goed aan de voorkant zitten, in buurten en wijken. En veel investeren in het derde milieu en in de aanpak van armoede en schulden. Armoede kunnen we niet oplossen, maar we kunnen mensen met weinig geld wel helpen een goed leven te leiden.’