Inloggen
home > in de schijnwerpers > collega in de schijnwerpers: jan van de venne

Collega in de schijnwerpers: Jan van de Venne

februari 2016

 

‘Dit is een geweldige tijd om te laten zien waar we goed in zijn,’ zegt Jan van de Venne, directeur van het Centrum voor Maatschappelijk Werk en Welzijnswerk. In de Limburgse gemeenten Brunssum en Onderbanken levert het CMWW alle niet-geïndiceerde welzijnsdiensten via Buurtwelzijnsteams. Bovendien ontwikkelt de organisatie nieuwe diensten met de Wmo-aanbieders. Sinds de gemeenten met lumpsumfinanciering werken, is Jan van veel bureaucratische rompslomp bevrijd. Als gast nam Jan deel aan de Verdiwel Lezing, waarna bij besloot lid te worden van onze beroepsvereniging.

 

Het Centrum voor Maatschappelijk Werk en Welzijnswerk (CMWW) ontstond in 1997 uit de fusie tussen het Centrum voor Maatschappelijk Werk Brunssum Onderbanken en de stichting Welzijnswerk Brunssum. Ook alle peuterspeelzalen van beide gemeenten maken deel uit van het CMWW. De organisatie werkt samen met partners en vrijwilligers in de wijk. ‘Met deze gezamenlijke krachtsinspanning werken wij wijkgericht en richten het vizier op het versterken van de eigen kracht en het verbinden van burgers en buurten, waarbij de professional op de achtergrond blijft en alleen wordt ingezet waar nodig. Zo ontstaat een beweging in de wijk waar mensen, jong en oud, elkaar de hand reiken en daarmee het wonen, werken en leven in de wijk zo prettig mogelijk maken.’ Zo lezen we op de homepage van de website. De site is zeer gebruikersvriendelijk. Onder het kopje ‘Direct regelen’ kunnen bezoekers verschillende mogelijkheden aanklikken, zoals ‘Ik wil met iemand praten’, ‘Ik wil me opgeven voor een activiteit’, ‘Ik heb een idee of suggestie of ‘Ik wil graag vrijwilliger worden’.  Het CMWW heeft ongeveer 85 medewerkers en zo’n 450 vrijwilligers.

 

Sinds wanneer ben je directeur van CMWW en wat deed je voor die tijd?
‘Vanaf 2009 ben ik directeur. Voor die tijd was ik hier manager en ik ben in 1993 bij CMWW begonnen als maatschappelijk werker.’

 

Hoe typeer je het werkgebied van je organisatie?
‘Brunssum is een oude mijnstad die nu 28.000 inwoners heeft. Het mijnverleden is een dominante factor. Nog steeds zie je hier zwarte bergen die aan de tijd van de mijnbouw herinneren.  Onderbanken is een kleine gemeente die uit vier kerkdorpen bestaat, met in totaal ongeveer 8.000 inwoners. Er is wel wat toerisme hier, er is een vakantiehuisjespark. Maar het is beperkt. We liggen niet in het Limburgs heuvelgebied. Typerend voor deze streek is dat er relatief veel gezinnen zijn waarin werkloosheid van generatie op generatie overgaat. Voorheen verzorgden de mijnen en de kerk de mensen van de wieg tot het graf en was men niet gewend de handen zelf uit de mouwen te steken.  Nog steeds verwachten met name ouderen van de overheid dat die alles regelt. Het is niet eenvoudig om hier burgerkracht te stimuleren, maar daar zetten we wel flink op in.’

 

Het motto van jullie organisatie luidt “Zorg met elkaar vóór elkaar”!
‘Toen ik hier als directeur aan de slag ging, zaten we met een bezuinigingsopdracht en wilden we Welzijn Nieuwe Stijl invoeren. We hadden een organisatie met verschillende beroepsgroepen en er was geen duidelijke visie op welzijn en maatschappelijke dienstverlening, ook niet bij de gemeente. Maar de gemeente keek wel kritisch naar onze organisatie. Samen met managers en stakeholders heb ik een visie uitgewerkt op welzijn, met elementen als buurtgericht werken, burgerkracht en multidisciplinair werken. Vanwege die kritische blik van de gemeenten wilden we haast maken, het was noodzakelijk om ons zo spoedig mogelijk goed te positioneren. Het begin van dit proces hebben we top-down ingericht.  Vervolgens zijn me met een traject rond het uitwerken van de visie en de missie gestart. Over deze thema’s gingen we in gesprek met groepen medewerkers uit alle geledingen van de organisatie. Iedereen was er van overtuigd dat we moesten veranderen. Dat oude, vertrouwde werkwijzen niet meer werkten. Uit die gesprekken kwam het motto “Zorg met elkaar vóór elkaar” voort. Eigen kracht is belangrijk, maar dat moet je met zorg doen. Met zorg voor elkaar. Eigen kracht is niet vanzelfsprekend voor iedereen aanwezig.’

 

Jullie werken met Buurtwelzijnsteams. Zitten daar alleen professionals van jullie eigen organisatie in?
‘Ja, dat klopt. Eind 2013 zijn we met deze teams aan de slag gegaan. Ze werken vanuit de wijksteunpunten en bieden alle niet-geïndiceerde welzijnsdiensten. Onze Buurtwelzijnsteams bestaan uit generalisten, die allemaal hun eigen specialisme hebben. Bijvoorbeeld ouderenwerk, jeugd- en jongerenwerk, jeugd en gezin, groepswerk, schuldhulpverlening, maatschappelijk werk of cliëntondersteuning. In de Buurtwelzijnsteams zijn ook vrijwilligers actief. Er is veel synergie tussen al die specialismen, zodat we meer kunnen doen met minder geld. Vanuit een generieke visie en de sociale netwerkstrategie kijken we naar de vragen van burgers.  Met burgers bespreken we wat ze zelf kunnen, wat hun sociale netwerk kan betekenen en dan pas – het liefst na vraag van de burger – of er echt professionele zorg of hulpverlening nodig is. Zo leren burgers zo goed mogelijk hun problemen op te lossen, met zo weinig mogelijk dure ondersteuning.  De gemeenten hebben grote waardering voor onze visie en werkwijzen.’

 

Hebben jullie een goede relatie met de gemeenten?
‘De gemeente Brunssum wilde dat we een derde geldstroom aanspraken. Met innovatieve projecten hebben we geld binnen weten te halen van onder meer het Oranje Fonds en het VSBfonds.  Het Oranje Fonds was medefinancier van een project om jongeren zonder startkwalificatie toe te leiden naar een opleiding of werk met o.a. de inzet van buddy’s. We hebben ook wethouders en ondernemers bereid gevonden als buddy op te treden. De aanpak was erg succesvol. Koningin Maxima kwam op bezoek en dat was echt een kroon op het project. Omdat het zo goed loopt, krijgen we van de gemeente extra geld om deze aanpak na de projectperiode regulier te maken. De gemeenten vertrouwen ons. Ze zijn afgestapt van de oude bureaucratie en alle bijbehorende indicatoren en we hebben nu lumpsumfinanciering. We maken globale afspraken over thema’s en diensten die wij geacht worden te leveren als daar vraag naar is. Dat scheelt heel veel administratieve rompslomp.’

 

Hoe linken jullie welzijn en maatschappelijke dienstverlening aan de geïndiceerde zorg?
‘De gemeente werkt met vijf zorgaanbieders die Wmo-diensten leveren, ook met lumpsumfinanciering. Maandelijks hebben wij overleg. Het budget voor die zorgaanbieders krimpt. Zij moeten innoveren en steeds meer diensten met de eerste lijn leveren. Vanuit dit perspectief hebben wij er inmiddels enkele diensten bij gekregen, zoals dagopvang voor mensen met een GGZ-achtergrond zonder indicatie. Die inloop is vier dagen per week open en er is altijd minimaal een professionele begeleider die ondersteund wordt door vrijwilligers. We gebruiken die inloop om deelnemers te activeren en doelgroepen met elkaar te mengen. Dat lukt goed en wij doen dat een stuk goedkoper dan zorgorganisaties. We gaan nu met de GGZ kijken hoe we samen ook voor mensen met een GGZ-indicatie dagopvang kunnen opzetten en welke begeleiding zij nodig hebben van professionals en vrijwilligers.’

 

Wat is jouw ambitie als directeur voor de komende jaren?
‘Dit is een geweldige tijd voor welzijn en maatschappelijke dienstverlening. Er liggen zoveel kansen om te laten zien waar we goed in zijn. De komende jaren wil ik nog meer connectie met de burgers krijgen. In het westen is men daar verder mee dan hier. Burgers die zelf coöperaties beginnen, dat vind ik prachtig. Die ontwikkeling wil ik ook hier stimuleren.’