Inloggen
home > in de schijnwerpers > in de schijnwerpers: pieter van den born

In april 2019 ging Pieter van den Born als nieuwe directeur-bestuurder aan de slag bij de SMD Zaantreek-Waterland. Van 2009 tot 2017 was hij adjunct directeur van Nidos Jeugdbescherming. Hij is ervan overtuigd dat minder kinderen jeugdzorg nodig hebben, als jeugdzorg, sociaal werk en de CJG’s goed met elkaar samenwerken. Radicaal integraal is zijn adagium. Hij is trots op de palliatieve terminale thuiszorg door vrijwilligers en wil het opbouwwerk in ere herstellen om inwoners te betrekken bij vraagstukken rond wonen en duurzaamheid, waaronder de energietransitie.

 

Iedereen moet kunnen meedoen. Dat is het motto van de SMD Zaanstreek-Waterland. Haar missie luidt: ‘De SMD stelt zich ten doel de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie van mensen te bevorderen en hun probleemoplossend vermogen te vergroten. De SMD richt zich op mensen van alle leeftijden, vooral die het meest kwetsbaar zijn.’ Kernwaarden van de organisatie zijn maatschappelijk dichtbij en betrokken, versterkend, verbindend, ondernemend en betrouwbaar.

Haar aanbod omvat jongerenwerk, sociaal juridische dienstverlening, mentorwerk, schoolmaatschappelijk werk, cliëntondersteuning, palliatieve terminale zorg door vrijwilligers, ondersteuning bij huiselijk geweld, Zaankanters voor Elkaar (vrijwilligerscentrale inclusief burenhulp) en sociaal wijkteams.

Het werkgebied van de organisatie omvat de gemeenten Zaanstad, Purmerend, Landsmeer, Edam-Volendam, Waterland, Oostzaan en Wormerland en Beemster, die tezamen bijna 350.000 inwoners hebben. In enkele gemeenten is naast SMD ook een aparte welzijnsorganisatie actief. De samenwerking tussen SMD en deze welzijnsorganisaties is goed. De SMD heeft 75 medewerkers en 185 vrijwilligers.

 

Hoe typeer je dit werkgebied?

‘De Zaanstreek is een stedelijk gebied. Dat geldt niet alleen voor Zaandam, maar ook voor de dorpen die bij deze gemeente horen. Al zeggen Zaandammers dat ze het meteen aan iemand horen als die uit Koog aan de Zaan komt. In Zaanstad heb je grootstedelijke problematiek rond armoede en overlast, die zich overigens voor een belangrijk deel tot een klein aantal wijken beperkt. Datzelfde geldt voor Purmerend, waar veel inwoners oorspronkelijk uit Amsterdam-Noord komen. Wormerland kent overloop vanuit Zaanstad. Edam-Volendam bestaat uit Edam, Volendam en Oosthuizen. In Volendam is sprake van een sterke dorpsgemeenschap die het liefst zelf zijn boontjes dopt. Dat laatste geldt ook wel voor Oostzaan. De kernen van Waterland – zoals Monnikendam en Broek in Waterland – kennen ook hun sociale problemen, naast wat je zou kunnen noemen een gegoede burgerij. Vooral voor de dorpskernen en de kleine steden als Edam en Monnikendam geldt dat mensen naar elkaar omkijken en sociale netwerken hebben. Er zijn dus grote verschillen tussen de gemeenten.’

 

In april begon je met je werk als directeur-bestuurder van de  SMD. Daarvoor werkte je acht jaar als adjunct-directeur van Nidos Jeugdbescherming. Hoe kwam vanuit dat perspectief het sociaal werk op je over?

‘Mede door die ervaring ben ik overtuigd van de beweging naar radicaal integraal. Dat zie je terug in ons jongerenwerk, dat deel uitmaakt van de wijkteams. En de beweging van jeugdzorg naar het voorliggend veld en toenemende samenwerking tussen jeugdzorg en sociaal werk, waaronder jongerenwerk, en goede verbindingen met het CJG. Hoe beter die samenwerking wordt, hoe minder kinderen in specialistische zorg terecht komen. Daar ben ik van overtuigd. Ik heb eens een dagje meegelopen met een jeugdarts. Om 9 uur kwam daar een moeder binnen met haar zoon, die al een ambulante behandeling kreeg. Die moeder was er trots op dat ze haar zoon op tijd uit bed had gekregen. Haar zoon hing onderuitgezakt in een stoel, literfles Cola onder de arm. Hij spijbelde veel van school. De arts complimenteerde eerst de moeder, dat het gelukt was samen op tijd te komen. Vervolgens vroeg hij de zoon rechtop te gaan zitten en de cola fles op de grond te zetten. En begon een goed gesprek waarin de jongen toezegde weer naar school te gaan en hij accepteerde dat moeder hem op tijd zou wekken, zodat hij op tijd op school zou zijn. Het mooie aan deze casus is dat de arts niet mee ging in een soort slachtoffergedrag van die jongen en de machteloosheid van moeder, maar sprak moeder en zoon aan op wat ze konden. Dat moeten we in het sociaal werk ook zoveel mogelijk doen: normaliseren, goed naar de context kijken en elkaar aanspreken. Daar geloof ik meer in dan in het traditionele medische model van de jeugdzorg met de onderdelen klacht, diagnose en individueel behandelen.’

 

Hoe gaat het met de sociaal wijkteams in jullie werkgebied?

‘In Zaanstad hebben we een goede start gemaakt, omdat de gemeente rücksichtslos koos voor wijkteams. Het speelveld in Zaanstad is overzichtelijk. Drie organisaties werken in de wijkteams samen: Incluzio, DOCK en de SMD. Elke organisatie heeft daarin hetzelfde aanbod dat welzijnsachtige voorzieningen omvat, zoals formulierencafés, huiskamerprojecten met de ggz. Het maakt niet uit of je iemand van Incluzio, van DOCK of van ons treft als je bijvoorbeeld met een financieel probleem komt. Er wordt dan altijd gekeken of er andere problemen zijn, of mensen meedoen aan de samenleving et cetera. Ik ben daar wel tevreden over. Een knelpunt is dat onze medewerkers teveel tijd kwijt zijn aan Wmo-indicaties en keukentafelgesprekken en daardoor te weinig toekomen aan het ontwikkelen van algemene voorzieningen. Dat zie je op meer plekken in het land.

Welzijn op recept hebben we hier niet. Maar er wordt goed samengewerkt met de huisartsen. Zij verwijzen veel mensen door naar het sociaal werk en actuele ontwikkelingen bespreken we met de huisartsen.

We zien ook dat algemene voorzieningen in het sociaal domein preventief kunnen werken. Na na de aanbesteding 2018, waarbij sprake was van een lagere aanneemsom in de wijk Assendelft/Westzaan,  zagen we een stijging van het aantal mensen dat een beroep deed op de sociaal wijkteams, mede als gevolg van dat er minder capaciteit was voor de algemene voorzieningen.’

 

Wat vind jij een bijzondere dienst van jouw organisatie?

‘Dat vrijwilligers palliatieve thuiszorg uitvoeren. Zij staan mensen bij in hun laatste levensfase en voeren allerlei hand- en spandiensten uit die daarbij horen. Zowel in de thuissituatie als in zorgorganisaties. De meerwaarde is dat zij geen professionals zijn die een dienst komen leveren, maar echt naast de betreffende persoon en zijn of haar familie staan. We hebben hiervoor een kleine subsidie van het ministerie van VWS gekregen en doen daar veel goeds mee. We krijgen daar veel waardering voor. Een andere dienst die ik bijzonder vind is opvang van achterblijvers als een huisverbod is uitgesproken. Bijvoorbeeld in situaties van huiselijk geweld of als een ontvoering dreigt. Maatschappelijk werkers die daarvoor een speciale opleiding hebben gehad, voeren dit werk uit. Zij zijn vertrouwenspersonen van het betreffende gezin. Ook daar krijgen we veel goede reacties op.’

 

Wat is jouw persoonlijke ambitie als directeur-bestuurder voor de komende jaren?

‘Radicaal integraal gaan werken met deze organisatie. Zodat inwoners geen last hebben van een onderscheid tussen organisaties voor maatschappelijke dienstverlening (Wmo) verlenen of die  participatie bevorderen (Participatiewet). Voor inwoners is het belangrijk dat wijken leefbaar zijn, dat ze makkelijk hulp krijgen als het even tegenzit in hun dagelijks leven, dat mensen in buurten elkaar helpen en steunen. Een tweede ambitie is dat we het oude opbouwwerk in ere herstellen. Vroeger werden inwoners via het maatschappelijk middenveld betrokken bij allerlei maatschappelijke ontwikkelingen. We moeten de systeemwereld veel beter aan laten sluiten bij de leefwereld van inwoners, zodat we inwoners kunnen betrekken bij vraatstukken als wonen,  economische activiteiten in de wijk, de energietransitie en andere vraagstukken rond duurzaamheid.’